kokker(d) -s, de
  1. dik, groot exemplaar, van personen veelal in de bet. grofgebouwd en dom, ook gebruikt als scheldnaam

    Wat 'n kokkerd van 'n kerel (Koekange)

    van een hane (Pesse)

    een beeit (Norg)

    Gao toch weg, kokkerd (Barger Oosterveld)

    Wat hef dennend een kokkerd veur de kop

    Wat kanjers van eerappels, wat dikke kokkers (De Wijk)

    Zie ook:

Zoek meer voorbeeldzinnen...