sik -ken, de, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Veenkoloniën, Zuidoost-Drenthe, Zuidoost-Drenthe (veengedeelte), Zuidoost-Drenthe (veengedeelte), Zuidwest-Drenthe, Zuidwest-Drenthe

Ook: sikke (Zuidwest-Drenthe), zege (Veenkoloniën), (Zuidoost-Drenthe (veengedeelte))

  1. geit

    Hij gait mit de sikke naor de bok (Nieuw Schoonebeek)

    Aj een sik in het oor beten en ij vrugen dan: wanneer trouw ij. Dan zee e: mèèèi (Sleen)

    Zie ook:
  2. Hij hef weer een sik an touw

    De sikke mot even verstikt worden

    Der giet een sikke langs met een pakkien beschuten onder de steert

    Zie ook:
  3. lokroep voor een geit

    Zie ook:
  4. (vaak verkl.) baardje

    Dat sikkie stiet hum niks (Elim)

    En dan stek hij zien sikkien veuruut en begunt te redeneren (Meppel)

    Zie ook:
  5. verwaand vrouwspersoon, eigenwijs, vinnig, er is niets mee te beginnen, soms ook gezegd van een man(Zuidoost-Drenthe (veengedeelte))

    IJ hebt een bok van een kèrel en een sik van een wief (Sleen)

    Dat is zo'n sik, die kan haost gien vriendinnen holden (Borger)

    Verwende sikken aj binnen (Nieuw Amsterdam)

    Zie ook:
  6. oud paard(Kop van Drenthe, Zuidoost-Drenthe (veengedeelte))

    Wat hef e een olde sik veur de waogen (Eelde)

    *Rieget joe, har de boer zegd, want hij har een zege op staal had (Emmer Compascuum)

    geite-

    Zie ook:

Zoek meer voorbeeldzinnen...