toegriezeln onovergankelijk, werkwoord, zwak
  1. tot griezelen brengen

    Zoere hering griezelt mij toe (Havelte)

    Het mut je toegriezeln, al die jongs op die brommers (Sleen)

    Het griezelt mij toe, zoas die kiender door op een fietse zit (Diever)

    toen die jong boven in de boom zat (Oosterhesselen)

    Zie ook:

Zoek meer voorbeeldzinnen...