voorlok bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Zuidoost-Drenthe (zandgedeelte), Zuidwest-Drenthe Zuid

Ook: veurlok

  1. gewend aan dezelfde voerplaats

    Ik maak die petriezen voorlok en met drie dagen zet ik strikken (Sleen)

    Aj de koenen goed voorlok hebt, staot ze te drongen um bij de voorbakken te komen (Koekange)

    Zie ook:

Zoek meer voorbeeldzinnen...