U zocht voorbeeldzinnen met daarin "nak"
Resultaten 21 - 40 van 52
- nak I: Hij hef de nak aordig oetsteuken
- nak I: Hie löp met de kop in de nak
- nak I: Ze wolden het mij op de nak schoeven (Rolde)
- nak I: Ien wat op de nak doen (Borger)
- nak I: Hij lop of e een slag met een paol in de nak had hef (Nieuw Dordrecht)
- nak I: Ik brak mij daor de nak over de rommel (Sleen)
- nak I: Je moet je stilholden, je lult oet de nak
- nak I: Hij zat der tot de nak tou in
- nak I: Hie sluug de borrel zo in de nak
- nak I: Hie is op dubbele nak van de fiets vallen
- nak I: Wat bisse smerig in de nak, wascher dij toch ies (Padhuis)
- nak I: Steek je nak der niet in
- nakstuk: Een nakstuk is een extrao versteviging op de nak in een boezeroen (Gasselte)
- nik: ...gaoten in de weg en aj der dan met een rad in komt, dan kriej een nik in de nak (Eext)
- por I: Hie hef een por in de nak (Sleen)
- puil: Het is nogal een hiele puiel; za'k je hum even op de nak helpen? (Stieltjeskanaal)
- schatvat: Hie was zo stark, hie sluug zo een baol op de nak met de bienen in het schatvat (Sleen)
- schoeftouw: Undertusken was Mans naor de kaor toe gaon, sluug het schoeftouw wèer over de nak en wol veuroet
- slaon: Ik heb het geweer op de nak slagen
- slegel: An de heuiben zat mangs een slegel, waormet ij de ben zo op de nak slaon kunden (Padhuis)