U zocht voorbeeldzinnen met daarin "nust"
Resultaten 41 - 60 van 87
- nust: Hij hef met die arfenis een dik nust kregen (Emmen)
- nust: Er zit een nust kweek in de eerpels (Roderwolde)
- nust: Bie dei boerderij was een dik nust land bie (Roswinkel)
- nust: Wij hadden wat nust had
- nust: Het is mor een nust van een kèreltien (Sleen)
- nust: nust under het gat (Vries)
- nust: De zunne kröp in het nust, in het westen, morgen komp er regen
- nust: een nust schaolen (Gieten)
- nust: Dende is de lèeste van het nust
- nust: De luibert is weer op het nust (Balloo)
- nust: De klokke neem ik iedere aovend van het nust (Fluitenberg)
- nust: Hie hef hum in het nust grepen
- nust: Zien eigen nust beschieten
- nust: Het lop heur aal tegen, zie holdt gien ei meer in het nust
- nust: Hij giet met de kippen op het nust
- nust: Zij hef het nust voel
- nust: Hij hef er iene, zo uut het nust
- nust: Een nat nust, zegge wij, as de vrouw in 't bedde is (Havelte)
- nust: Der zit een huil nust mieghummels onder het straotje (Emmer Erfscheidenveen)
- nust: In het nust!