U zocht voorbeeldzinnen met daarin "knecht"
Resultaten 61 - 80 van 98
- knecht: Hai kent de duvel en zien knecht, ...en zien mouer
- knecht: Wie kent een eerste knecht en een tweide knecht, een vaste knecht en een losse knecht (Barger Oosterveld)
- knecht: de grote knecht
- knecht: de kleine knecht
- knecht: de volle knecht of eerste knecht (Klazienaveen)
- knecht: Wij haarden vrogger 'n vaaste knecht in het waark (Diever)
- knecht: Koom ies bij mij, mien kleine knecht (Ruinen)
- knecht: De planken weurden met een knecht in mekaar dreven en dan vastspiekerd (Oosterhesselen)
- knecht: Met de knecht kuj een waegen optillen
- knecht: Haal mij de knecht is even op
- knechtenkamer: Een knecht had gien kamer (Borger)
- knieplat: De knieplat wordt vaastzet met de knecht (Gieten)
- knup: De boel löp mij lillijk ien de knuppe, nou de knecht ziek is
- leger I: Het leger van de knecht was vaeke op de hilde, boven de koenen (Dwingelo)
- Lichtmis I: Lechtmessen lecht/Dan wordt elke boer een knecht (Padhuis)
- luuns II: Boer zee tegen knecht: Neem ie het wiel mor mit, den zel ik de lunze wel draogen (Valthermond)
- mondtiesmaot: Ie kregen as knecht maor mondtiesmaote te eten (Dwingelo)
- mulder: Hèur de knecht van de mulder ies
- mulder: Daor hej de mulder zien knecht ok
- neikommend: Die neikommende knecht mot nog wal leren umstaon (Odoorn)