U zocht voorbeeldzinnen met daarin "nust"
Resultaten 61 - 80 van 87
- nust: Een goeie jager schöt de haas niet in het nust (Odoorn)
- nust: Het duurt niet lang meer met de mot, hij maokt het nust al klaor (Vries)
- nust: Hie hef de vrouw in het nust
- nust: Hij lig op ber as een hond in het nust
- nust: Wij hebt een nust katten (Broekhuizen)
- nust: Ze hebt door een nust vol kinder
- nust: Dat die vent niet better oppast, hij komp toch oet een goed nust
- nust: Oes hond hef het nust in het lege zwienhok (Emmen)
- nustei: Het nustei is nog in hoes, de rest is het nust oet (Padhuis)
- pepiermaeker: Het nust hebt pepiermaekers in laogies en het is net pepier (Dwingelo)
- Sint-Pieter: *Sint-Peter mut de luibert zien nust bezitten
- slenterig: Hij is wat slenterig, hij kan het nust niet vienden lusteloos (Dwingelo)
- spienster: *Een spienster much niet ongekust in het nust (Zwiggelte)
- sprikkendrager: Een sprikkendrager is een grote bosmier, die mit behulp van takken een groot nust bouwt (De Wijk)
- strampel: Ziej het nust niet? Het zit daor in de straampel, een endtien baoven oen heufd (Koekange)
- verhongern: De klokke neem ik ieder aovend van het nust, aans lat hij zich verhongern (Fluitenberg)
- verlaoten II: De eend hef het nust verlaoten (Mantinge)
- verlegen: Een verlegen nust met eier (Zwinderen)
- voel II: Zij hef het nust voel
- vreedzaom: Kat en hond ligt vreedzaom naost mekaor in het nust (Eext)