donker I het
  1. donker

    IJ moet veur het donker weer in hoes wezen (Oosterhesselen)

    Hij knip de kat in het donker (Uffelte)

    Wij waren laete en kwamen bij donkern weer (Wapse)

    In het donkern begunt de oel te vliegen (Weerdinge)

    Zie ook:

Zoek meer voorbeeldzinnen...