knorrig II bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Zuidoost-Drenthe (zandgedeelte), Zuidwest-Drenthe Noord, Zuidwest-Drenthe Zuid, Zuidwest-Drenthe Zuid

Ook: knurzerig, knurzelig (Zuidwest-Drenthe Zuid)

  1. met harde bulten of kluiten

    Ie keunt nich over het laand, het is veuls te knorrig (Barger Oosterveld)

    Wat is dai laone ja knorrig, kenst ja hail nait fietsen (Valthermond)

    Het hef wat evreuren, het is wat knorderig (Dwingelo)

    de grond is al wat knurzerig (Elim)

    Zie ook:

Zoek meer voorbeeldzinnen...